De Unitas tuinwijk en het Boekenbergpark:
“In de echt verbonden voor goede en kwade dagen.”

In de Deurnese heemkundige literatuur vinden we de anekdote terug als zou Adelbert Kennis destijds de Unitaswoonkandidaten een heel grote voortuin hebben voorgespiegeld, een tuin die er uiteindelijk niet kwam. Later legde hij het zo uit dat hij met de voortuin het hele Boekenbergdomein had bedoeld. Noemden daarom de oudst eigenaars het domein “ons park”? Mogen de huidige bewoners vandaag op beide oren slapen?

Een beetje voorgeschiedenis

Vlakbij de 16de eeuwse brouwerij-met-afspanning “d’Exterken”, voordien of later omkaderd door allerlei “Huysen van Plaisantiën” zoals Ravelsberg, Lantaarnehof, Oud- en Nieuw Donck, Drakenhof en Hof Niles, ontstond “Boeckenberg” in 1555. De buurt eromheen zal ook wel “plaisant” geweest zijn voor de gewone burger en ondermeer voor beroemde kunstenaars, die destijds het gastenboek van “d’Exter“ hebben ondertekend, met namen als Bruegel en Conscience. Mocht het opzoeken van landelijke rust en later het mysterieuze, ludieke Boeckenberg- van Smets, zo vlakbij de stad hun inspiratie geleverd hebben, dan kan dit ook nog eeuwen later aanwezig zijn geweest rondom dit domein. Mogelijk uitte zich dat tevens in de levensstijl van bepaalde tuinwijkbewoners. Het zou te ver leiden om hier namen te noemen maar ze leefden hier ooit. Er zijn er nog en er duiken er steeds maar nieuwe op… Maar ook de laatste restanten van de (toen al) bedreigde natuur hebben hier een vluchtoord gevonden. Landbouw en de oprukkende stedelijke expansie hadden toen ook al in onze naaste omgeving tot botanische soortenverarming geleid. Gelukkig waren er hier en daar nog beboste privédomeintjes zoals Boeckenberg. Zo getuige een vermelding uit 1715:

”Bockenbergh aan ’t Exterlaer;
rontomme in zijn houtcanten
met noch een stuck lands, “genaemt het Bosch”.

Voordien had men wel heel andere ideeën rond de gebruiksfuncties van het domein. Nadat in 1914 de gemeente Deurne er een deel van had aangekocht, was het zelfs nog onzeker of men dit in de verre toekomst niet helemààl zou volbouwen. Het was een grondbelegging, meer niet. Na veel politiek getouwtrek en druk vanuit het toenmalige bestuur van “Natuur-en Stedenschoon” werd een gedeelte ervan in 1928 uiteindelijk opengesteld voor het publiek als “park”, een term waarmee de gemeente overigens nog alle kanten uitkon.

De “Unitas-pioniers” maakten vanzelfsprekend meteen gebruik van hun gemeenschappelijke “voortuin“. In de vijver werd vooralsnog ’s zomers volop geplonsd, gezwommen en op vlotten rondgevaren en ook ‘s winters werden de heuvels en de vijver druk gebruikt om te sleeën en te schaatsen. Maar vanaf de benaming “park” ging het er meteen al veel georganiseerder aan toe met ondermeer de vestiging van een voetbalclub (Floritas), grotendeels samengesteld uit “Unitas”-mannen. De gemeente zorgde dan weer voor een vloot roei- en peddelbootjes.

Design with Sycro Solutions: Luc Vandeput - www.lucvandeput.be